Koningen van de zon

Afb. 1 Thoetmoses III als koning; dioriet; 18e dynastie, ca. 1470-1427 v. C. Egyptisch Museum Turijn. ( foto Corina Zuiderduin)

Geen land dat zo tot de verbeelding spreekt als het oude Egypte. De imposante architectuur en de mysterieuze beelden drukken een tijdloze schoonheid uit; een schoonheid van een andere wereld die je toch herkent, uit welke tijd of cultuur je ook komt. Vaak zien we de koning (farao) oog in oog met de goden weergegeven of we zien de koning als een god uitgebeeld. Deze voorstellingen geven aan dat koningen de hemelwereld konden bereiken tijdens hun leven. Ook teksten geven aan dat koningen voor een kort moment één konden worden met de zonnegod. Thoetmoses III zegt bij zijn kroning bijvoorbeeld dat hij naar de hemel ‘opsteeg als een goddelijke valk (…) en kennis maakte met de wijsheid van de goden zoals Horus’. Op dat moment straalt hij als de zon. Maar was deze ervaring nu alleen weggelegd voor koningen? Wat werd eigenlijk met het koningschap bedoeld? En hoe moeten we de zonnegod zien?

In het boek Het Mooie Westen, mythen en symbolen in Egypte geef ik een nieuwe visie op de verborgen wijsheid van de Egyptenaren. Eén van mijn nieuwe interpretaties gaat over het goddelijk koningschap en de mythe van Horus en Seth.

Volgens de Egyptenaren konden koningen goddelijkheid bereiken. Diverse teksten beschrijven dat ook gewone burgers vergelijkbare ervaringen konden hebben. Een voorbeeld van zo’n tekst is het verslag van Ipoey. Ipoey was een arbeider en geen lid van de koninklijke familie. Toch kon hij Hathor zien. Hij kon in de hemelwereld verblijven. Ipoey vertelt dat deze overweldigende ervaring van schoonheid en geluk hem diep heeft geraakt en dat dit plaatsvond tijdens de dag, op een moment dat hij wakker of bewust was. Om dit beter te kunnen plaatsen kijken we eerst naar de mythe van Horus en Seth.

Horus en Seth

Het Egyptische koningschap is nauw verbonden met de mythe van Horus en Seth. Deze mythe vertelt dat tijdens het begin van de geschiedenis Osiris koning is. Hij wordt echter vermoord door zijn broer Seth. Osiris krijgt toch nog op magische wijze het kind Horus.

Horus is al vanaf de conceptie voorbestemd om koning te worden. Hij is de rechtmatige troonopvolger van zijn vader Osiris, maar Seth wil de leiding hebben. Een langdurige strijd volgt. Wanneer Horus volwassen is overwint hij Seth. Horus wordt koning en er heerst vrede en harmonie.

Iedere Egyptische koning werd op zijn weg naar de troon verbonden met deze mythe, met de overwinning van Horus op Seth die hem uiteindelijk als leider erkent. Net zoals Horus moet ook de koning zijn vijanden overwinnen. Tijdens dit proces wordt de koning langzamerhand steeds meer Horus.

Dit lijkt in eerste instantie een vreemd verhaal, maar als Horus en Seth gezien worden als delen in de mens, wordt het duidelijk. Horus wordt meestal uitgebeeld als valk of als mens met een valkenkop. Hij verbeeldt een hoger deel in de mens. Dit deel bevat zijn edele idealen, liefde en wijsheid. Het is het deel in de mens dat de verbondenheid met andere wezens beseft..

De strijd tussen Horus en Seth verbeeldt het conflict tussen verbondenheid en eigenbelang, tussen altruïsme en egoïsme

Seth wordt meestal uitgebeeld als een merkwaardig fabeldier met een smalle snuit, vierkante oren en een gevorkte staart. Hij heeft – in tegenstelling tot Horus – geen vleugels en kan niet vliegen. Hij wordt ook wel uitgebeeld als een menselijk wezen met het hoofd van dit fabeldier. Seth vertegenwoordigt het meer materiële deel van de mens, zijn uiterlijke kant, zijn ego. Dit deel is op zichzelf gericht en ervaart de verbondenheid met anderen niet.

Mensen konden een ‘volger van Horus’ zijn of een ‘volger van Seth’. Zij konden hun Horus-natuur of hun Seth-natuur, hun ego, volgen. Wanneer iemand zich identificeert met Horus, handelt hij in het belang van iedereen. Hij handelt in harmonie met andere wezens. Wanneer iemand Seth op de troon zet, wanneer iemand zijn ego de boventoon laat voeren, volgt eigenbelang, disharmonie en egoïsme. De strijd tussen Horus en Seth verbeeldt het conflict tussen verbondenheid en eigenbelang, tussen altruïsme en egoïsme. De diverse vijanden die overwonnen moeten worden zijn oude karaktereigenschappen.  Wanneer iemand ziet dat bepaalde karaktereigenschappen van zichzelf beter kunnen en hij neemt zich voor om deze te veranderen, dan spelen zijn oude gewoonten uit zijn ego (Seth) nog een tijd op. Deze willen zijn nieuwe, meer edele idealen teniet doen. Maar wanneer iemand zich richt op zijn ideaal, vallen zijn oude karaktereigenschappen die nog niet helemaal zuiver zijn vanzelf weg.

Wees groots als een koning, wees koninklijk als Ra.

Piramidetekst 697

De koning

In mythen van veel culturen kan het begrip ‘koning’ worden gezien als het hogere deel in de mens dat de leiding heeft. Het begrip ‘koning’ heeft, volgens de nieuwe visie, ook in de mythologische teksten van Egypte geen betrekking op een beroep of een sociale status, maar geeft de mate van karakterontwikkeling aan. Natuurlijk was er ook iemand die het land bestuurt en deze werd ook koning genoemd, maar daar komen we straks op.

Wanneer het begrip ‘koning’ in mythologische teksten in eerste instantie betrekking heeft op de innerlijke ontwikkeling van de mens en niet op een beroep of sociale status, dan volgt daaruit dat de aanduiding ‘gewone mensen’ die in dezelfde type teksten wordt gebruikt ook een manier is om een bewustzijnsniveau aan te duiden. Iemand kon het eenvoudige beroep van pottenbakker of sandalenmaker uitoefenen en toch innerlijk een koning zijn en andersom; iemand kon een farao zijn en in een groot paleis wonen, maar in de ontwikkeling van zijn karakter niet verder zijn gekomen dan een ‘gewoon’, gemiddeld mens. Volgens de Egyptenaren waren er verschillende soorten mensen: gewone mensen, edele mensen en zonnemensen. Zonnemensen leven in de sfeer van de zonnegod, volgens het dodenboek. Zij hebben een bewustzijnsbereik ontwikkeld waardoor zij op dat niveau kunnen verblijven. Edele mensen lijken tussen gewone mensen en zonnemensen in te staan. Wanneer iemand koninklijke – edele – eigenschappen ontwikkelt, wordt hij steeds meer Horus.

In afbeelding 3 wordt dit heel mooi weergegeven. Op de achterkant is te zien hoe de rug van de koning verandert in de veren van een valk. Onder de troon zit een overwonnen vijand met zijn armen op zijn rug gebonden.

Mensen konden hun karakter steeds edeler maken, steeds meer hun hoger deel worden, beginnend als ‘gewone’, gemiddelde mensen die soms Horus volgen en soms Seth, doorgroeiend naar mensen die steeds meer Horus worden tot zij uiteindelijk een Ach, een ‘verlichte’ of zelfs gelijk aan de zonnegod zijn geworden en ‘zijn veredeld als een god.’

Mensen konden hun karakter steeds edeler maken, steeds meer hun hoger deel worden, totdat zij uiteindelijk een Ach, een ‘verlichte’ of zelfs gelijk aan de zonnegod geworden zijn.

Voor-, achter en zijaanzicht van een koningsbeeld; faience; 18×6,8 cm; Grieks-Romeinse Tijd, ca. 304-30 v. C; Rijksmuseum van Oudheden (foto Corina Zuiderduin)

Teksten geven aan dat er eens tijden waren waarin werkelijke wijze, rechtvaardige mensen het land bestuurden. Zo was de uiterlijke, beroepsmatige koning oorspronkelijk ook een innerlijke koning.

De bestuurder van het land

Je kunt in het oude Egypte twee soorten koningen onderscheiden:  mensen die het beroep koning uitoefenen – degenen die het land besturen – en mensen die een innerlijke koning zijn. Mensen die een mooi en edel karakter hebben ontwikkeld, innerlijke koningen, hebben wijsheid vergaard en handelen in harmonie met alle wezens. Mensen die het land besturen moesten het voorbeeld zijn. Het was een ideaal om een wijs en rechtvaardig mens het land te laten besturen. Dit was in latere  tijden zeker niet meer altijd het geval. Vaak bleef alleen de uiterlijke vorm over en was de diepere inhoud verdwenen, maar teksten geven aan dat er eens tijden waren waarin werkelijk wijze, rechtvaardige mensen het land bestuurden en het land en zijn inwoners bloeiden. Zo was de uiterlijke, beroepsmatige koning oorspronkelijk ook een innerlijke koning.

De weg door de tempel

Iedere Egyptenaar kon innerlijk een koning worden. De troon die hij bestijgt staat niet in een paleis, maar bevindt zich op een hoger bewustzijnsniveau.

De mens die koning is over zichzelf, beklimt de troon in de hemel tijdens zijn leven op aarde. Ook de architectuur van tempels weerspiegelt deze innerlijke weg. In het diepste deel huisde de zonnegod. Naarmate je verder de tempel binnenging steeg de vloer geleidelijk omhoog en boog het hemeldak van de tempel zich omlaag. Hoe dieper je de tempel binnenging, hoe dichter je de zonnegod naderde en hoe hoger je steeg in bewustzijn. Alleen koningen konden in het diepste deel van de tempel komen. Gewone mensen konden daar niet naar binnen. Ook hier ligt symboliek achter verborgen: alleen mensen die koninklijke waarden hebben ontwikkeld – innerlijke grootsheid – kunnen zelfbewust de zonnegod bereiken.

Afb. 4 De koning met de Horusvalk; grijze steen; Late Tijd, ca. 3 ; Metropolitan Museum of Art New Yorkl;(foto Corina Zuiderduin)

Gouden zon

Afb. 5 Op dit mummiekleed is achter het hoofd de kroningsglans weergegeven. Volgens de Egyptenaren kon ‘de grote hoeveelheid vlammende stralen die de mens omringt’ wanneer hij één wordt met de zonnegod voorkomen bij mensen op aarde. De gouden kroon van koningen en koninginnen in Europa uit de middeleeuwen tot aan de huidige tijd met punten als stralen van de zon, herinnert aan dit idee uit het verre verleden waar het een ideaal was dat verlichte mensen – wijze, rechtvaardige mensen – koning waren en het land bestuurden. Mummiekleed; Linnen; 55×53 cm; Grieks-Romeinse Tijd, ca. 30 v. C.-395 n. C.; Rijksmuseum van Oudheden Leiden. (foto Corina Zuiderduin)

Maar wie is de zonnegod? Volgens de Egyptenaren zit de zonnegod in het hart van alle wezens. Het is de innerlijke god. Het is het (relatief) hoogste deel in jezelf. Deze levenskern is er altijd al geweest en zal er altijd zijn. Alle wezens zijn vormen van de zonnegod. Elk wezen is een straal van dezelfde zon. Ze komen uit dezelfde oneindige levensessentie voort. Wezens verschillen alleen maar in ontwikkelingsgraad en unieke voorkeuren van elkaar, maar in hun kern zijn ze één.

Wanneer iemand edele karakteristieken heeft ontwikkeld, komt hij oog in oog met zijn innerlijke goddelijkheid te staan, omdat ze gelijk aan elkaar zijn geworden. Hij wordt er voor een kort moment één mee. Wanneer hij zich verenigt met de innerlijke zon is hij gelijk aan Osiris.

Wanneer de mens goddelijkheid bereikte, drukten de Egyptenaren dat uit door hem een ‘Verlichte’, een Sehedj, te noemen of een Ach, een ‘lichtende’ of ‘stralende’. Een van de kenmerken van deze bewustzijnstoestand is, volgens het dodenboek, dat de Egyptenaar op dat moment een lichtschijnsel verspreid.

Op Egyptische dodenportretten en mummiekleden uit de Late Tijd wordt vaak om het hoofd een lichtplek afgebeeld, een aureool dat letterlijk ‘gouden’ (kroon) betekent. Ook de koning krijgt tijdens de kroning een kroningsstraling.  

Wanneer iemand edele karakteristieken heeft ontwikkeld, komt hij oog in oog met zijn innerlijke goddelijkheid te staan, omdat ze gelijk aan elkaar zijn geworden. Wanneer hij zich verenigt met zijn innerlijke zon is hij gelijk aan Osiris.

Afb. 6 De Egyptenaar Djehoeti-Min met de attributen van het koningschap, de kronstaf en de dorsvlegel. Het beeld was oorspronkelijk helemaal bedekt met bladgoud om aan te geven dat het goddelijke in volle pracht tot expressie komt.

Gouden maskers drukken dit ook uit. Goud was de kleur van de zon en deze kon nu in volle glorie tot expressie komen.

In eerste instantie bereikt de mens deze toestand voor een kort moment, maar wanneer hij zijn edele karakteristieken verder ontvouwt, zal hij steeds vaker de verschillende aspecten van Osiris ten volle tot expressie brengen.

Osiris wordt vaak de onbeweeglijke, de niet actieve, genoemd. Osiris vertegenwoordigt een hoger deel van het bewustzijn, dat in eerste instantie bij de gemiddelde mens nog slapend, inactief, of ‘dood’ is. Dit bewustzijn wordt geactiveerd, wordt levend, ontwaakt bij diegenen die de aspecten die daarbij horen – liefde, compassie, wijsheid, rechtvaardigheid – verder hebben ontwikkeld. De mens is dan volledig wakker – bewust – geworden.

Hemel

Volgens de Egyptenaren kan de hemelsfeer op verschillende manieren worden bereikt. Eén manier gebeurt vanzelf na de dood wanneer het bewustzijn zich terugtrekt naar diepere niveaus. Dit is dan een tijdelijk moment tot hij weer opnieuw geboren wordt. De gemiddelde mens heeft daar nog geen herinneringen aan en is zich nog niet bewust van deze hemelsferen waarin hij uitrust.De hemelsfeer kan ook gedurende het leven worden bereikt. Dit is dan een stadium van blijvend geluk.

Tijdens het leven doen mensen ervaringen op, ze leren, ontplooien zich en maken steeds meer bewust van wat er latent in hun kern al aanwezig is. Wanneer mensen mooie,  edele aspecten hebben ontwikkeld verliezen zij vanzelfsprekend hun bewustzijn niet in de periode tussen twee levens. Zij zijn zich immers bewust geworden van hun hogere aspecten die in deze hemelsferen thuishoren. 

Harmonie

Volgens de wijze Egyptenaar Ptahhotep is het doel van het ontwikkelen van wijsheid en inzicht, om mee te werken aan de harmonie tussen mensen en in mensen en om ‘een voorbeeld te zijn’. Hatsjepsoet zegt dat zij Horus werd, zodat zij ‘op aarde kan zijn voor het welzijn van de mensheid, als beschermer van gewone mensen en edele mensen’.

In de Egyptische levensfilosofie is het universum een groot, levend organisme. Alle wezens vormen met elkaar een groot levensweb waarbij elk wezen steunt op andere wezens. Geen enkel wezen staat los van andere wezens.

De Egyptenaar wil de ‘wijsheid van de goden’ krijgen, een Ach worden, zodat hij met zijn inzichten zijn medemensen kan helpen wijsheid in zichzelf te ontwikkelen zodat zij zelf blijvend geluk vinden.

Mensen zijn volgens de Egyptenaren goden in wording.

Mensen zijn, volgens de Egyptenaren, goden in wording. Elk leven komen ze op aarde om zich steeds verder te ontwikkelen en om, net als de goden, steeds beter te leren zelfbewust in harmonie met andere wezens te handelen, beginnend als mens met een pas ontluikend zelfbewustzijn – als een ‘babymens’ – totdat hij alles heeft ontwikkeld wat hij als mens kan ontwikkelen. Alle mensen zijn in essentie goddelijke wezens en zijn op weg om zich daar weer bewust van te worden.

Wie de zonnegod in zichzelf gestalte geeft, leeft tijdens zijn leven al in de hemel. De hemel is geen plaats, maar een bewustzijnsniveau dat overal bereikt kan worden. Een edel en koninklijk mens handelt natuurlijk, in harmonie met alle wezens. Net zoals de goden zet hij vanzelfsprekend zijn talenten, zijn liefde en ontwikkelende wijsheid in voor alle wezens, beginnend in zijn dagelijkse leefomgeving. In elke situatie die hij tegenkomt geeft hij steeds het beste van zichzelf. Hij weet dat hij de eenheid is en zich daarvoor inzetten betekent geluk.

Artikel in Bres februari 2020

Afb. 7 Amenemhotep III met goddelijke kenmerken. De kop is gemaakt van rood kwartsiet. Door de rode kleur werd de steen geassocieerd met de zon. Amenhotep III draagt een strengenpruik, een specifieke haardracht van de goden; h. 13 cm; ca. 1391-1353 v. C. Rijksmuseum van Oudheden Leiden. (foto Corina Zuiderduin)